logo school

 

 

 

terug naar de documentensite

 

 

 

 

2010 - 2012

  "Werken met ontwikkelingsperspectieven binnen de SO-afdeling:

In dit beleidsplan wordt beschreven op welke manier het onderwijs binnen de SO-afdeling van de Dr. A van Voorthuysenschool te Amersfoort  is opgebouwd.

Dit document is, naast het algemene document:
 “Werken met ontwikkelingsperspectieven binnen Meerkring” ( maart 2011),
een verdieping en toepassing op onze specifieke school en doelgroep.

In het eerste hoofdstuk wordt een beschrijving van de belangrijkste doelstellingen en uitgangspunten beschreven.
In het tweede hoofdstuk volgt een inhoudelijke uitwerking van deze werkwijze.

HOOFDSTUK 1.      WERKEN AAN ONTWIKKELING

In dit hoofdstuk worden de doelen en uitgangspunten van de werkwijze van de SO-afdeling uitgelegd.
 
1.1    Doelen van het Speciaal Onderwijs

De doelstelling van ons onderwijs is leerlingen zo zelfstandig mogelijk maken op diverse gebieden, om hen op een volwaardige manier te kunnen laten participeren in de maatschappij. Binnen de afdeling voor leerlingen van 4 tot en met 12 jaar (de SO-afdeling) ligt de nadruk daarbij op de brede ontwikkeling van de leerling. We brengen in beeld wat de mogelijkheden van de leerling zijn voor wat betreft verschillende ontwikkelingsgebieden:

  • Sociale- en emotionele ontwikkeling (inclusief spelontwikkeling en leren leren)
  • Communicatie (mondelinge taal)
  • Zelfredzaamheid (vaardigheden op het gebied van wonen, ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit)
  • Cognitieve ontwikkeling (schriftelijke taal en lezen, rekenen en wereldoriëntatie – ruimte/tijd/natuur en techniek)
  • Motorische ontwikkeling (bewegingsonderwijs, zintuiglijke- en motorische ontwikkeling)
  • Creatieve ontwikkeling (Muziek en bewegen, dramatische vorming, beeldende vorming)

We werken doelgericht en planmatig aan de ontwikkeling van leerlingen, waarbij we ook rekening houden met specifieke kenmerken van het kind. We werken daartoe in onze school met ontwikkelingsperspectieven en leerlijnen (zie bijlage 4 – Leerlijnenpakket).
Zie voor de visie/missie van de school het schoolplan.

1.2   Wat houdt werken met ontwikkelingsperspectieven in?

Een ontwikkelingsperspectief is eigenlijk een verwachting van de toekomst van de leerling: Wat verwachten we van de leerling op 12-jarige leeftijd? Naar welke vervolgopleiding zal hij/zij uitstromen? Welk didactisch niveau zal de leerling hebben? Hoe zal zijn werkhouding zijn en hoeveel begeleiding zal hij/zij nodig hebben?
Het ontwikkelingsperspectief wordt altijd bepaald door een team van deskundigen (de Commissie van Begeleiding). Deze commissie bestaat uit de directeur van de school, de zorgcoördinator van de afdeling, de pedagoog/psycholoog en de schoolarts. Het ontwikkelingsperspectief wordt altijd besproken met ouders en het bepaalt ook de doelen waaraan met de leerling wordt gewerkt. Hieronder kunt u lezen op welke manier een ontwikkelingsperspectief wordt vastgesteld.

1.3 Welke ontwikkelingsperspectieven zijn er?
Binnen de SO-afdeling van onze school benoemen we de volgende ontwikkelingsperspectieven:

  • We verwachten dat deze leerling zal uitstromen naar de VSO-afdeling (Voortgezet Speciaal Onderwijs) van onze school: Bij uitstroom heeft de leerling zich ontwikkeld naar niveau 1 op de leerlijnen ZML.
  • We verwachten dat deze leerling zal uitstromen naar de VSO-afdeling (Voortgezet Speciaal Onderwijs) van onze school: Bij uitstroom heeft de leerling zich ontwikkeld naar niveau 3 op de leerlijnen ZML.
  • We verwachten dat deze leerling zal uitstromen naar de VSO-afdeling (Voortgezet Speciaal Onderwijs) van onze school: Bij uitstroom heeft de leerling zich ontwikkeld naar niveau 6 op de leerlijnen ZML.
  • We verwachten dat deze leerling zal uitstromen naar school voor Speciaal Basisonderwijs of voor Praktijkonderwijs. Bij uitstroom heeft de leerling zich ontwikkeld naar niveau 9 op de leerlijnen ZML.

Op basis van het uitstroomperspectief dat de leerling heeft, zal de leerling een specifiek onderwijsaanbod volgen. In de meeste gevallen zal het basisaanbod van de leerling bestaan uit de leerroute die past bij de te verwachten uitstroom en zal een leerling op deelgebieden de leerroute volgen die bij een ander ontwikkelingsperspectief (bijvoorbeeld omdat dit een sterke of juist een zwakke kant van het kind is).

In het onderstaande overzicht kunt u zien hoeveel leerlingen op 12-jarige leeftijd uitstroomden naar de verschillende uitstroommogelijkheden:


Uitstroom

2007-2008

2008-2009

2009-2010

2010-2011

Uitstroom  naar de VSO-afdeling (Voortgezet Speciaal Onderwijs) van onze school: min. beheersing niveau 1

    2 1

Uitstroom  naar de VSO-afdeling (Voortgezet Speciaal Onderwijs) van onze school:min. beheersing niveau 3 en uitstroom  naar de VSO-afdeling (Voortgezet Speciaal Onderwijs) van onze school: min. beheersing niveau 6

7 9

6(niv. 3)

6(niv. 6)

6(niv..3)

3 (niv.6)

Uitstroom  naar school voor Speciaal Basisonderwijs of voor Praktijkonderwijs.

 

1

1

1

1.4 Hoe wordt het ontwikkelingsperspectief vastgesteld?

Het stellen van een ontwikkelingsperspectief binnen de SO-afdeling
Bij aanmelding van een kind bij de SO-afdeling van de school (op een leeftijd van 4 of 5 jaar) wordt door de commissie van begeleiding bepaald of de leerling in principe toelaatbaar is. Dit gebeurt op basis van de gegevens die bekend zijn uit het dossier van de leerling en eventueel het kennismakingsbezoek. We bekijken onder andere het IQ, de  beschikbare didactische gegevens, gegevens over de sociale ontwikkeling van de leerling, gegevens over de praktische redzaamheid en over de werkhouding (leren leren). Daarbij geldt in grote lijnen dat de leerling een IQ heeft onder de 70 en dat de leerling het nodig heeft om begeleiding te krijgen in een kleine groep (maximaal 12 leerlingen).
Als een leerling wordt toegelaten tot de school heeft de school de verplichting om binnen 6 weken een eerste ontwikkelingsperspectief vast te stellen (de criteria die we daarbij gebruiken vindt u in paragraaf 1.1).
We realiseren ons dat dit eerste perspectief nog beperkt is: vaak wordt de uitspraak gedaan op basis van onderzoeksgegevens en eerste observatie.
Er zal in grote lijnen worden aangegeven wat het te verwachten niveau van de leerling is op het moment van doorstroom naar de middenbouw (rond 7 jaar). Om meer gefundeerde uitspraken te kunnen doen over het ontwikkelingsperspectief is het belangrijk dat de mogelijkheden van de leerling goed worden bekeken in de praktijk en dat door middel van het volgen van vorderingen ook het leerrendement in kaart kan worden gebracht.
De leerling wordt geplaatst in de aanvangsgroep. Het doel van deze groep is om de mogelijkheden van de leerling in beeld te brengen. Dit gebeurt onder andere door veel observatie. Jaarlijks worden de vorderingen van de leerling vastgelegd in het leerlingvolgsysteem en besproken met ouders/verzorgers.

Als de leerling ongeveer 7 jaar is (of eerder als het al duidelijk is) wordt door de Commissie van Begeleiding het ontwikkelingsperspectief van de leerling opgesteld. Hierbij wordt weer gekeken naar het IQ, de beschikbare didactische gegevens, gegevens over de sociale ontwikkeling van de leerling, gegevens over de praktische redzaamheid en over de werkhouding (leren leren). Maar ook wordt meegenomen welke ontwikkeling de leerling heeft doorgemaakt in de jaren dat hij op school zat. Deze groei wordt gemeten door het bijhouden van een leerlingvolgsysteem (waarin de leerlingen op leerlijnen jaarlijks in beeld worden gebracht).
De gegevens van de leerling worden vergeleken met de verwachtingen die we hebben van leerlingen die uitstromen naar de genoemde perspectieven. Op basis daarvan wordt een uitspraak gedaan over wat we van deze leerling in de toekomst verwachten (het ontwikkelingsperspectief en de streefdoelen op de verschillende ontwikkelgebieden).

Het ontwikkelingsperspectief van de leerling wordt door de Commissie van Begeleiding vastgesteld en vastgelegd in het dossier en gecommuniceerd met de leerkracht. Op basis van het gestelde perspectief wordt een leerling in een groep geplaatst en zal de leerling het basisonderwijsaanbod dat past bij het gekozen perspectief volgen.
Eventuele individuele aandachtspunten en aanpassingen worden extra genoemd in het ontwikkelingsperspectief – gedeelte handelingsplan.
Weer worden het ontwikkelingsperspectief en de gekozen streefdoelen met ouders/verzorgers besproken.

In de jaarlijkse evaluatie van het ontwikkelingsperspectief/handelingsplan wordt door de leerkracht beoordeeld of nog steeds hetzelfde perspectief wordt verwacht. Dit gebeurt door na te gaan of de vorderingen van de leerling aangegeven groei richting dit perspectief laten zien (deze groei wordt in het leerlingvolgsysteem vastgelegd) en of de daarbij benodigde ondersteuning binnen de setting van de school gegeven kan worden.

Jaarlijks wordt door de Commissie van Begeleiding het gestelde perspectief geëvalueerd en worden de gegevens van de leerling op de ontwikkelingsgebieden opnieuw vergeleken met de kenmerken van de ontwikkelingsperspectieven.
De leerkracht speelt een belangrijke rol in het aanleveren van deze gegevens en het formuleren van een advies (Perspectief handhaven of perspectief bijstellen?). Als de commissie op basis van de gegevens besluit het perspectief van de leerling bij te stellen, wordt dit vastgelegd in het dossier en gecommuniceerd met ouders en leerkracht van de leerling.
Een verandering in het ontwikkelingsperspectief heeft in de meeste gevallen ook een verandering in onderwijsdoelen en in sommige gevallen een verandering in leeromgeving (groep) tot gevolg.

Als de leerling (op 12- of 13-jarige leeftijd) de SO-afdeling verlaat, wordt door de Commissie van Begeleiding opnieuw het gestelde perspectief geëvalueerd en worden gegevens over de leerling overgedragen naar de afdeling/school waarnaar de leerling uitstroomt (de afdeling Voortgezet Speciaal Onderwijs of het Praktijkonderwijs).  Ook binnen de VSO-afdeling wordt gewerkt met perspectiefbepalingen (uitstroomperspectieven).

Bijstellen van het leerling perspectief door de Commissie van Begeleiding:
Mochten ouders of leerkracht tussen de officiële evaluatiemomenten door vragen hebben over het gestelde ontwikkelingsperspectief, dan worden deze in oudergesprekken of leerlingbesprekingen aan de orde gesteld.
Als het nodig is het perspectief van de leerling bij te stellen, wordt dit altijd gedaan door de Commissie van Begeleiding. De wijziging en de argumenten voor wijziging van het perspectief worden vastgelegd in het dossier van de leerling. De wijziging wordt met alle betrokken partijen (ouders/verzorgers en leerkrachten/therapeuten) gecommuniceerd.

HOOFDSTUK 2.      DE OPBOUW EN INHOUD VAN DE SO-AFDELING

In deze paragraaf wordt beschreven op welke manier de SO-afdeling is ingericht en op welke manier het onderwijsprogramma vorm krijgt.

We geven eerst een schematische weergave van de SO-afdeling, die verderop in dit hoofdstuk zal worden uitgelegd.

Schema

Om leerlingen zo optimaal mogelijk te laten ontwikkelen richting hun uitstroom, wordt in de school gewerkt in "bouwen", liefst met parallelgroepen. In de onderbouw zitten de kinderen van ongeveer 4-6 jaar met een voorlopig ontwikkelingsperspectief. In de middenbouw zitten leerlingen van ongeveer 6-9 jaar, met verschillende ontwikkelings-perspectieven. We vinden dat kinderen van en met elkaar leren en vinden het daarom belangrijk dat kinderen met verschillende ontwikkelings-perspectieven en mogelijkheden bij elkaar in de groep zitten.

In de bovenbouw zitten de leerlingen tussen de 9-12 jaar. Daarna stromen de meeste leerlingen door naar de zgn. brugklas. Dit schakeljaar is om te kijken welke gebieden en vakken nog extra aandacht nodig hebben om de leerling zo goed mogelijk naar de V(S)O-afdeling te laten uitstromen.
De kinderen doen nog mee met de groepsdoorbreking taal en rekenen in de SO-afdeling, maar krijgen ook al vakken op de VSO-afdeling. Ze wennen op deze manier aan de manier van lesgeven op de VSO-afdeling.

2.1 De instroomgroep/onderbouw

DOELSTELLING VAN DE ONDERBOUW
De overgang van peuterspeelzaal/huis naar school is een belangrijke stap in het leven van een leerling. De meeste leerlingen maken de overstap als ze 4 jaar oud zijn. Sommige leerlingen komen op latere leeftijd bij ons op school, omdat zij hun onderwijsloopbaan zijn begonnen in het reguliere onderwijs of het speciaal basisonderwijs.

In de onderbouw wordt een algemeen en breed programma gevolgd.
Er wordt vooral integraal met leerlingen gewerkt (de verschillende vak/vormingsgebieden komen in een context aan de orde) en er wordt aangesloten bij de belevingswereld van de leerlingen (er wordt veelal thematisch gewerkt). De leerlingen gaan minimaal 8 dagdelen per week naar school.
In de onderbouw wordt nagegaan wat de sterke en zwakke kanten in de ontwikkeling van de leerling zijn en wat de snelheid is waarmee de leerling hetgeen aangeboden wordt oppikt. Op basis van deze gegevens kan er, als de leerling rond de 7 jaar oud is, een meer betrouwbare uitspraak worden gedaan met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief (Clijsen, Pieterse, Spaans en Visser, 2009).

INHOUD VAN HET ONDERWIJS IN DEZE FASE
In het onderwijsprogramma wordt gewerkt aan de gebieden: zelfredzaamheid, cognitieve ontwikkeling, motorische ontwikkeling en creatieve ontwikkeling. Daarnaast wordt aan leergebiedoverstijgende vaardigheden gewerkt (zoals sociale- en emotionele ontwikkeling, leren leren, communicatie).
In onderstaand schema staat aangegeven welke leerlijnen onder welk ontwikkelgebied vallen en hoe aan deze leerlijnen wordt gewerkt. Het niveau dat op de leerlijnen wordt aangeboden bij de verschillende ontwikkelingsperspectieven in de instroomfase/ onderbouw, is te vinden in het bouwplan instroomfase.
Het niveau op de leerlijnen met een * is het meest bepalend voor het bepalen van het ontwikkelingsperspectief.

 

Leerlijnen

Aantal dagdelen  dat per week aan dit onderdeel wordt besteed (bij benadering)

Vakken die op het rooster staan, waarbij aan deze leerlijnen wordt gewerkt

Sociale- en emotionele ontwikkeling

Leerlijn sociale- en emotionele ontwikkeling*
Leerlijn Leren leren*
Leerlijn Spelontwikkeling*

1 ½

Kring
Begeleid spel
Pauze/Buiten spel

Communicatie

Leerlijnen Mondelinge taal*

½

Kring

Zelfredzaamheid

Leerlijn wonen*
Leerlijn ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit *

2

Eten
Verzorging (tanden poetsen/toilet)
Jas aan/uitdoen

Cognitieve ontwikkeling

Leerlijn Schriftelijke taal/ lezen*
Leerlijn Rekenen*
Leerlijn Oriëntatie op natuur en techniek
Leerlijn Oriëntatie op ruimte
Leerlijn Oriëntatie op tijd

2

Werken met ontwikkelings-materiaal
Werken in hoeken
Thema-onderwijs

 

Motorische ontwikkeling

Leerlijn Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
Leerlijn Bewegingsonderwijs

 1

Werken met ontwikkelings-materiaal
Gymnastiek

Creatieve ontwikkeling

Leerlijn Beeldende vorming
Leerlijn Dramatische vorming
Leerlijn Muziek en bewegen
Leerlijn Spelontwikkeling

 1

Muziek en Dans
Drama
Beeldende vorming

NB.
De leergebiedoverstijgende leerlijnen zijn: Sociale- en emotionele ontwikkeling, ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit, omgaan met media, Leren leren, zintuiglijke en motorische ontwikkeling.
Naast de tijd die specifiek voor deze leergebieden in het rooster wordt vrijgemaakt, wordt ook gedurende de hele dag aandacht besteed aan deze leerlijnen. De vorderingen worden vastgelegd in het leerlingvolgsysteem van de school

Als de leerling ongeveer 6/7 jaar is wordt het ontwikkelingsperspectief vastgesteld (op basis van de gegevens die verzameld zijn in de onderbouwperiode) en gaat de leerling door naar de middenbouw.

2.2  De middenbouw

DOELSTELLING VAN DE MIDDENBOUW
Doel van de middenbouwperiode is het intensief trainen en uitbreiden van kennis en vaardigheden van de leerling.

In de middenbouw wordt er minder integraal gewerkt dan in de bovenbouw. De vakken op het rooster spitsen zich meer en meer toe op één ontwikkelgebied of één leerlijn.
Daarbij wordt steeds geprobeerd om aan te sluiten bij de belevingswereld van de leerlingen en zal zo veel mogelijk worden gewerkt met contexten en materialen die de leerling kent. Een gedeelte van de leerlingen gaat in deze fase meer abstract werken (van het werken met concreet materiaal wordt de overstap gemaakt naar werken in het platte vlak – op papier). De leerlingen gaan 9 dagdelen per week naar school.
De streefdoelen die gehanteerd worden bij de verschillende ontwikkelingsperspectieven in deze bouw zijn weer te vinden in
bouwplan 6-8 jarigen en bouwplan 8-10 jarigen.

INHOUD VAN HET ONDERWIJS

 

Leerlijnen

Aantal dagdelen  dat per week aan dit onderdeel wordt besteed (bij benadering)

Vakken die op het rooster staan, waarbij aan deze leerlijnen wordt gewerkt

Sociale- en emotionele ontwikkeling

Leerlijn sociale- en emotionele ontwikkeling*
Leerlijn Leren leren*
Leerlijn Spelontwikkeling*

2

Kring
Begeleid spel
Pauze

Communicatie

Leerlijnen Mondelinge taal*

1

Kring

Zelfredzaamheid

Leerlijn wonen*
Leerlijn ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit *

2

Eten (afwassen)
Verzorging (aankleden/toilet)
Jas aan/uitdoen

Cognitieve ontwikkeling

Leerlijn Schriftelijke taal/ lezen*
Leerlijn Rekenen*
Leerlijn Oriëntatie op natuur en techniek
Leerlijn Oriëntatie op ruimte
Leerlijn Oriëntatie op tijd

2

Lezen
Schrijven
Rekenen

Wereldoriëntatie

 

Motorische ontwikkeling

Leerlijn Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
Leerlijn Bewegingsonderwijs

 1

Werken met ontwikkelings-materiaal
Gymnastiek
Zwemmen

Creatieve ontwikkeling

Leerlijn Beeldende vorming
Leerlijn Dramatische vorming
Leerlijn Muziek en bewegen
Leerlijn Spelontwikkeling           

 1

Creatieve vorming (afwisselend Muziek en Dans, Drama en
Beeldende vorming)

NB.
De leergebiedoverstijgende leerlijnen zijn: Sociale- en emotionele ontwikkeling, ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit, omgaan met media, Leren leren, zintuiglijke en motorische ontwikkeling.
Naast de tijd die specifiek voor deze leergebieden in het rooster wordt vrijgemaakt, wordt ook gedurende de hele dag aan deze leerlijnen aandacht besteed. De vorderingen worden vastgelegd in het leerlingvolgsysteem van de school.

De leerling stroomt door naar de bovenbouw op ongeveer 9/10-jarige leeftijd.

2.3 De bovenbouw/brugklas

DOELSTELLING VAN DE BOVENBOUW/ BRUGKLAS
Doel van de bovenbouwperiode is, net als in de middenbouw, het intensief trainen en uitbreiden van kennis en vaardigheden van de leerling. In de bovenbouw is vaak duidelijker op welke onderdelen de leerling blijvend compensatie/ondersteuning nodig heeft, maar ook waar de leerling meer aankan en een verdiept programma kan worden aangeboden.

In de bovenbouw zijn vakken op het rooster over het algemeen specifiek herkenbaar en spitsen zich toe op één ontwikkelgebied of één leerlijn.
Bij elke opdracht/taak wordt zo veel mogelijk de link gelegd met de leefwereld van de leerling (“Waarom is het belangrijk dat je dit leert? Waar kun je het voor gebruiken?”). Met leerlingen die uitstromen naar de VSO-groep met een hoger niveau en de leerlingen die uitstromen naar het Praktijkonderwijs wordt vooral  op papier (abstract gewerkt). Van alle leerlingen wordt verwacht dat zij datgene wat zij zelfstandig kunnen, ook zelfstandig doen. Training van de zelfstandigheid (tijdens werkmomenten) is een belangrijk aandachtspunt om de leerlingen voor te bereiden op hun overstap naar het Voortgezet Speciaal Onderwijs (of in sommige gevallen het Praktijkonderwijs).
De leerlingen gaan 9 dagdelen per week naar school.
De streefdoelen die gehanteerd worden bij de verschillende ontwikkelingsperspectieven in deze bouw zijn weer te vinden in de bouwplannen (klik voor meer informatie op bouwplan 8-10 jarigen en bouwplan 10-12 jarigen).

INHOUD VAN HET ONDERWIJS

 

Leerlijnen

Aantal dagdelen  dat per week aan dit onderdeel wordt besteed (bij benadering)

Vakken die op het rooster staan, waarbij aan deze leerlijnen wordt gewerkt

 

Sociale- en emotionele ontwikkeling

Leerlijn sociale- en emotionele ontwikkeling*
Leerlijn Leren leren*
Leerlijn Spelontwikkeling*

1 ½

Kring
Begeleid spel
Sociale en emotionele ontwikkeling
Pauze

Communicatie

Leerlijnen Mondelinge taal*

1

Kring

Zelfredzaamheid

Leerlijn wonen*
Leerlijn ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit *

2

Eten (inclusief tafel dekken en afwassen, koken en boodschappen doen)
Verzorging (tanden poetsen/toilet)
Opruimen en schoonmaken van de klas

Cognitieve ontwikkeling

Leerlijn Schriftelijke taal/ lezen*
Leerlijn Rekenen*

Leerlijn Oriëntatie op natuur en techniek
Leerlijn Oriëntatie op ruimte
Leerlijn Oriëntatie op tijd

3

Lezen
Schrijven
Rekenen

Wereldoriëntatie

 

Motorische ontwikkeling

Leerlijn Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
Leerlijn Bewegingsonderwijs

 1

Gymnastiek
Zwemmen

Creatieve ontwikkeling

Leerlijn Beeldende vorming
Leerlijn Dramatische vorming
Leerlijn Muziek en bewegen
Leerlijn Spelontwikkeling           

 ½

Creatieve vorming (afwisselend Muziek en Dans, Drama en
Beeldende vorming)

NB.
De leergebiedoverstijgende leerlijnen zijn: Sociale- en emotionele ontwikkeling, ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit, omgaan met media, Leren leren, zintuiglijke en motorische ontwikkeling.
Naast de tijd die specifiek voor deze leergebieden in het rooster wordt vrijgemaakt, wordt ook gedurende de hele dag aan deze leerlijnen aandacht besteed. De vorderingen worden vastgelegd in het leerlingvolgsysteem van de school.

De leerling stroomt door naar de V(S)O-afdeling op 12- of 13-jarige leeftijd.
De ouders worden een jaar vóór uitstroom, dus in de brugklas, concreet ingelicht over de consequenties van de uitstroom (Wat betekent dit inhoudelijk en praktisch? Wat wordt in het laatste jaar binnen de afdeling daaraan voorbereid? Wat moet de leerling nog leren in de brugklas om een zo goed mogelijk overstap naar de V(S)O-afdeling te maken?).
Bij uitstroom wordt door de leerkracht brugklas een gesprek gevoerd met de school/ afdeling waarnaar de leerling uitstroomt en worden leerling-specifieke gegevens (het dossier) overgedragen.

 

 

Referenties
Clijsen, A., Pieterse, E.,  Spaans, G.,  Visser, J. (2009). Werken vanuit een ontwikkelingsperspectief in het speciaal basisonderwijs: Naar een gezamenlijk kader. Zeist: SBO werkverband.